Dakruiter 0000.0011

 

 Literatuur

 

- Haslinghuis, E.J. & H. Janse, Bouwkundige termen. Verklarend woordenboek van de westerse architectuur- en bouwhistorie. Leiden (Primavera Pers), 20014e druk/1e druk: 1953 [643 blz. ISBN 90.74310.77.X]. Hierin "Dakruiter": blz. 139

- Müller, Hellmut & Rolf Naumann, Quetschfalten, Kreuzbogen­friese, Wendischer Verband. Fachbegriffe des Romanischen Backsteinbaus und der kirchlichen Baukunst in Altmark, Jeri­chower Land und Mark Brandenburg. Jerichow (Klostermuseum Jerichow), 1999. [60 blz. ISBN -]. Hierin "Dachreiter": blz. 14

- Zwiers L., Bouwkundig Woordenboek. Eerste deel: A-K. Amsterdam (Van Holkema & Warendorf), z.j. [1920]. [685 blz. ISBN -]. Hierin "Dakruiter": blz. 263 ("Kleine, veelal in een spits uitloopende toren, die op de kruising van twee daken geplaatst is; voornamelijk bij de Gothische kerken boven de kruising van midden- en dwarsschip" - dit is de relevante tekst volledig)

- Scheltema, P.H., Practisch Handboek voor Bouwkundigen en Ambachtslieden, omvattende nagenoeg alle, bij de uitvoering van bouwwerken, voorkomende werkzaamheden, gereedschappen, materialen en hulpmiddelen. Alphabetisch gerangschikt, beschreven, verklaard en door talrijke afbeeldingen nader toegelicht (Naar G.A. Smit, geheel opnieuw bewerkt en belangrijk uitgebreid door P.H. Scheltema). Rotterdam (D. Bolle), z.j. [874 blz. ISBN -]. Hierin "Dakruiter": blz. 126 ("Men geeft den naam van dakruiter aan kleine torentjes in verband met de kapconstructie zoodanig gemaakt dat zij het aanzien hebben van ruiter te paard op den nok te staan" - dit is de volledige tekst)